Simeon en Anna zijn twee bijbelse personages die alleen in het Lukasevangelie voorkomen (Lukas 2:25-38). Ze spelen een korte maar betekenisvolle rol in het verhaal van Jezus' presentatie in de tempel. Beiden zijn oud, beiden wachten, en beiden herkennen in een baby iets dat de meeste mensen niet zien.
Over Simeon weten we dat hij rechtvaardig en vroom was, en dat de Heilige Geest op hem rustte. Hij had de belofte ontvangen dat hij niet zou sterven voordat hij de Messias had gezien. Wanneer hij het kind Jezus in de tempel ontmoet, neemt hij het in zijn armen en spreekt hij een loflied uit dat bekend staat als het Nunc Dimittis: 'Nu laat U, Heer, uw dienaar in vrede gaan, want mijn ogen hebben uw heil gezien.' Dit lied wordt in veel kerken dagelijks gebeden of gezongen.
Anna wordt een profetes genoemd, de dochter van Fanuël, uit de stam Aser. Ze was op hoge leeftijd en had na een kort huwelijk als weduwe geleefd. Ze verbleef voortdurend in de tempel, waar ze God diende met vasten en bidden. Wanneer ze Jezus ziet, begint ze God te danken en over het kind te spreken tot allen die uitzien naar de verlossing van Jeruzalem.
Wat Simeon en Anna verbindt, is hun houding van trouw wachten. Ze vertegenwoordigen een generatie die vasthoudt aan Gods beloften zonder bewijs, zonder haast, zonder garantie op timing. In de christelijke traditie zijn ze daarmee voorbeelden van gelovig geduld en geestelijke opmerkzaamheid.
Hun belang reikt verder dan het bijbelverhaal. Simeon en Anna staan symbool voor de verbinding tussen profetie en vervulling, tussen het Oude en het Nieuwe Testament, en tussen menselijke trouw en goddelijke belofte. Ze laten zien dat herkenning van God niet voorbehouden is aan de machtigen, maar aan de aandachtigen.
Categorie: Basis van het geloof