De wijzen uit het Oosten, in het Grieks 'magoi' genoemd, zijn figuren uit het geboorteverhaal van Jezus in Matteüs 2. De Bijbel noemt geen aantal en geen namen. De traditie van drie koningen (Caspar, Melchior en Balthasar) ontstond pas eeuwen later, afgeleid van de drie geschenken.
Het woord 'magoi' verwijst waarschijnlijk naar geleerden of sterrenkundigen uit Perzië of Babylonië. Zij bestudeerden de hemel en interpreteerden hemelverschijnselen als tekenen. Hun reis naar Bethlehem toont dat kennis en zoeken naar waarheid kunnen leiden tot een ontmoeting met God.
De wijzen vertegenwoordigen in de christelijke traditie de niet-joodse volken die Jezus erkennen. Hun komst is een vervulling van oudtestamentische profetieën over volken die naar het licht zullen komen (Jesaja 60). Daarmee zijn zij symbool van de universele reikwijdte van het evangelie.
Opvallend is het contrast met koning Herodes. De wijzen, buitenstaanders, herkennen het kind als koning. Herodes, de zittende machthebber, voelt zich bedreigd. Dit contrast loopt als een rode draad door het evangelie: God werkt vaak buiten de verwachte kaders.
De wijzen keren 'langs een andere weg' terug naar hun land, gewaarschuwd in een droom. Dit detail wordt vaak gelezen als symbool voor bekering: wie God werkelijk ontmoet, gaat veranderd verder. De ontmoeting laat je niet onberoerd.
Categorie: Basis van het geloof